Posts Tagged ‘agnostisch’
Niet-weten is Gods zegen
Het gedicht ‘In waansin het ek gevra’ van de Zuid Afrikaanse dichter N.P. van Wyk Louw houdt mij nu al een paar jaar bezig. In mijn jeugd heb ik het meerdere malen gelezen, maar het bleef toen niet hangen. Ik was er nog niet aan toe?
Ik ben vorig jaar bezig geweest om honderden Zuid Afrikaanse gedichten in het Nederlands te vertalen of vertalingen te zoeken en toen kwam ik dit gedicht weer tegen. Het sloeg in als een bom! Wat een herkenning van de vragen waar ik mee bezig was (en ben). Alle wetenschappelijke kennis die ik meende te moeten vergaren, alle gedachten en ideeën over God en de wereld die mij vulden, daar wist Van Wyk Louw precies de vinger op te leggen.
De gedichten van deze diepe denker en twijfelaar in het veelal streng gereformeerde (christelijke) Zuid Afrika van zijn tijd zijn nu juweeltjes voor me geworden. Ze verwoorden wat ik ten diepste voel en helpen me om er ook weer woorden voor te vinden. Het onderstaande gedicht doet dat voor mij op magistrale wijze.
Dit is nu mijn weg geworden: niet meer boven God willen staan, in mijn drang om alles te weten en te begrijpen, maar mijn ‘Weten’ kapot scheuren, reizen zonder einde, zoeken zonder te vinden. Want om God te ‘vinden’ – vast te leggen, hem te (be)grijpen, dat is de vloek van God, maar om hem te zoeken, dat is Gods zegen!
——————
In waansin het ek gevra
(Uit de bundel: Alleenspraak, 1935)
Herr du mein Gott, was gehen mich die
Gesetze der Natur und Arithmetik an?In waansin het ‘k gevra, o God
vir my die vrede van die ster,
om bo die berge stil te woon,
die wêreld onder dof en ver.Ek wou U Liggaam sien en gryp,
ek wou die see vang in my net;
ek wou U Mag vang, vang en bind
met die koperkettings van my wet.Dan wou ek self in glorie troon,
my hof by winde en sterre hou;
ek wou met ewig-stille oë
op U en op U knegskap skou.Vergeef die wilde dwase bee —
o God, hoe kon ek wyser wees?
Maar, moet U vlam my voorkop kroon,
ek neem die glorie en die vrees!Vir my nie meer die dwase rus
van mense en van dag en jaar,
vir my die vlamme van U wa,
en oë wat in vertes staar.Vir my die kruis en doringkroon,
die reise wat geen einde het,
vir my die soek wat nimmer vind,
vir my die sterre sonder wet.o God, vir my die wilde sin,
die oë wat hul waansin noem,
om wat ondenkbaar is, te dink,
en wat onmoontlik is, begin.Ek sal ons Wete stukkend skeur
en uitstrooi tussen sterre en maan!
Sal ek met so ’n flenterkleed
U weë, o God, U weë gaan?So sal ‘k met naakte liggaam stap
die reis van hierdie wonderlewe,
met wonderoë in die lig
wat om my van U wonder bewe.Daar is één heerlikheid: U sien;
daar is één rus: om U te soek;
om nie te weet – dit is U seën;
en om te vind – dit is U vloek.
Vertaling ‘In waanzin heb ik gevraagd’
Heer, mijn God, wat heb ik te maken met
de wetten van de natuur en de rekenkunde?
In waanzin heb ik gevraagd, o God,
voor mij de vrede van de ster,
om boven de bergen stil te wonen,
de wereld onder dof en ver.
Ik wilde Uw lichaam zien en grijpen,
ik wilde de zee vangen in mijn net;
ik wilde Uw macht vangen, vangen en binden
met de koperen kettingen van mijn wet.
Dan wilde ik zelf in glorie tronen,
hof houden bij winden en bij sterren;
ik wilde met eeuwig-stille ogen
op U en op Uw knechtschap zien.
vergeef die wilde en dwaze bede —
o God, hoe kon ik wijzer zijn?
Maar, moet Uw vlam mijn voorhoofd kronen,
ik neem de glorie en de angst!
Voor mij niet meer de dwaze rust
van mensen en van dag en jaar,
voor mij de vlammen van Uw wagen,
en ogen die in verten staren.
Voor mij het kruis en de doornenkroon,
de reizen die geen einde hebben,
voor mij het zoeken dat nooit vindt,
voor mij de sterren zonder wet.
O God, voor mij de wilde zin,
de ogen die hun waanzin laten zien,
om wat ondenkbaar is te denken,
en wat onmogelijk is te beginnen.
Ik zal ons Weten aan stukken scheuren
en uitstrooien tussen sterren en maan!
Zal ik met zo’n haveloos kleed
Uw wegen, o God, Uw wegen gaan?
Zo zal ik met een lichaam naakt
de reis door dit wonderleven maken,
met wonderogen in het licht
dat om mij heen van Uw Wonder beeft.
Er is één heerlijkheid: U zien;
er is één rust: U zoeken;
om niet te weten – dat is Uw zegen;
en om te vinden – dat is Uw vloek.
(vertaling Adriaan van Dis en Robert Dorsman, uit hun boek: O wye en droewe land: Honderd-en-een gedichten in het Afrikaans, Meulenhoff – Amsterdam, 1998. (Van harte aanbevolen!))
——————
Meer info:
- Kort Wikipedia artikel over N.P. van Wyk Louw
- Afrikaanstalig artikel van Ena Jansen over Van Wyk Louw in Die Burger
- Kort Engelstalig stukje in een groter artikel over Zuid Afrikaanse literatuur in de Encyclopaedia Brittanica
Wat is er mis met interreligieusiteit? – een discussie met Anton de Wit (2)

Anton de Wit
Ik vind het een hele eer dat Anton de Wit, wiens blog ik al tijden volg, die meerdere boeken heeft geschreven en zeer belezen is, op een stukje van mij heeft gereageerd. En dan ook nog zo uitgebreid!
Het begon allemaal met een bericht over Joan Elkerbout die een interreligieuze (interfaith) kerk wilde beginnen waar plaats is voor alle godsdiensten. In het artikel Tien bezwaren tegen de interreligie - bleek heel duidelijk dat Anton de Wit die kerk — zacht gezegd — niet zo’n zinnig idee vond. Maar ik vond zijn argumenten niet zo zinnig en heb daar aandacht aan besteed in een artikel Wat is er mis met interreligieusiteit? – een discussie met Anton de Wit. Hij reageerde daar weer op.
Ik kan het nu met hem eens worden, maar dan hebben we beide ongelijk…
Daarom ga ik er nog verder op in.
Waarom is dit belangrijk?
Ik vind het waardevol om tijd aan dit onderwerp te besteden, omdat ik geloof dat dit onderwerp van het grootste belang is voor de toekomst van ons land en onze wereld. Hoe gaan we met elkaar om? Hoe gaan we met elkaars religies om? Kiezen we de weg van afsluiting en afstoting, verkettering en strijd? Of proberen we open te zijn en van elkaar te leren? Bij Anton de Wit proef ik iets van het eerste, bij de interreligieuze kerk het tweede.
Het is maar een proeverij van mij, ik heb het hele gerecht niet gegeten en er zal verschil van smaak zijn… Dus ook bij mijn opmerkingen moet nog een korreltje zout. Maar er komt niets op tafel als je niet ergens begint, dus ik duik de keuken van deze discussie in en ga roeren in een aantal belangwekkende punten.
Religies vergelijken: mag dat?

Joan Elkerbout
Ik vergeleek de verschillende godsdiensten in de interreligieuze kerk met allerlei soorten sport. De één zit bij voetbal, de ander houdt van hockey, allemaal doen ze aan sport (religie). Het is nu meestal zo dat er gezegd wordt dat “voetbal” (bijv. hindoeïsme) geen echte sport is, maar alleen onze eigen handballers (de christelijke godsdienst). Zo zegt Joan Elkerbout eigenlijk dat iedereen aan sport (religie) doet. Er zullen in die interreligieuze kerk mensen zijn die het meer in de stilte (schaken) en anderen meer in de daden (volleybal) zoeken.
Anton de Wit vindt dit argument juist zijn positie sterker maken. Hij vindt dat je de religies niet met elkaar kunt vergelijken en vraagt zich af welke sport ze dan beoefenen?
Maar waarom kun je religies niet vergelijken? Elke religie en levensbeschouwing geeft invulling aan het leven, biedt een weg naar de zin van het leven, een weg naar iets wat het dagelijkse leven en de dood overstijgt en laat in de volgelingen zien welk effect het heeft. Daarin zijn ze zeker wel te vergelijken (pace Chesterton). In de praktijk gebeurt het ook. Vele voormalige katholieken en protestanten horen van andere mogelijkheden, wegen de opties tegen elkaar af en kiezen nu voor een agnostisch en postmodern leven en geloof. En G.K. Chesterton doet het zelf ook door de God van de Aboriginals te vergelijken — zelfs te vereenzelvigen — met de God van de christenen.
De Rooms Katholieke Kerk als onvergelijkbaar neerzetten (zoals Anton de Wit in navolging van Chesterton doet) is terecht. Er is geen kerk precies zoals de Rooms Katholieke. Maar aan de andere kant is het ook niet terecht. Er zijn toch ook Oosters-Orthodoxe en Protestantse kerken? En hoewel ze verschillen, kun je die toch allemaal ‘kerk’ noemen? En hetzelfde met religie. Er zijn er vele en ze verschillen enorm, maar ze beoefenen allemaal hun religie. Het specifieke sluit het algemene niet uit.
Anton de Wit’s argument lijkt een beetje op die oude reclame van Heinz waarin de mensen tegen elkaar zeggen: is er een andere ketchup dan? Natuurlijk, Heinz ketchup heeft een unieke smaak, maar er zijn echt nog meerdere soorten ketchup. Zo is Joan Elkerbout’s “sportclub” met verschillende soorten “sporten”, nog steeds een sportclub. Ze beoefenen ‘sport’.
Een suggestie aan Anton de Wit: ga eens naar zo’n grote sportschool of sportclub en vraag welke sport ze daar beoefenen. Als ze dan zeggen ‘vele soorten sport’ zeg dan, nee, jullie moeten toch één soort sport beoefenen? Kijk dan eens hoe ze je aankijken. Zo kijk ik ook bij jouw kritiek op mijn sport-vergelijking.
Iedereen knutselt er op los
Anton de Wit is helaas niet ingegaan op een voor mij belangrijk punt. Als hij de “knutselspiritualiteit” van de interreligieuzen onzinnig vindt, stel ik daar tegenover dat zijn spiritualiteit ook bij elkaar geknutseld is. Ons christelijk geloof, zoals wij dat vandaag in Nederland geloven en beleven, heeft grote invloed ondergaan van de germaanse godsdienst, het griekse denken en vele filosofische stromingen van de laatste eeuwen. Elke gelovige heeft dus al een geknutselde spiritualiteit. En met het aanbod dat wij krijgen van ouders, school en televisie stelt elke Nederlander (onbewust) wat samen uit allerlei stromingen.
Daarom geloof ik niet dat
iemand er zeker van kan zijn dat hij of zij de ware versie van het geloof heeft. De meeste mensen staan daar sowieso nooit bij stil. De door mij opgevoerde “gewone gelovigen” Gert en Mies ook niet. Zij mogen volgens Anton de Wit dan wel “midden in de traditie staan”, maar welke traditie bedoelt hij dan? De Rooms Katholieke traditie als een eenduidige traditie beschouwen is theoretisch wel leuk, maar praktisch een droombeeld. De eenheid is ver te zoeken — de Dominicanen in Zwolle zijn echt wel anders bezig dan de paus zelf. Trouwens, die Dominicanen lijken meer op Joan Elkerbout’s interreligieuze kerk dan op de Rooms Katholieke kerk die Anton de Wit ons in zijn artikel voorspiegelt. Dé kerkelijke traditie is niet aan te wijzen. Als het zo duidelijk is wat de traditie inhoudt, hoe kan Anton de Wit ons dan zo’n brede katholieke kerk voorschotelen in zijn ‘K-factor’ test ?
Mijn verwijzing naar het geloof van Gert en Mies, die zich helemaal niet bewust zijn van alle invloeden op hun traditie, bedoelde ik niet paternalistisch, maar als constatering. Ik houd me erg bezig met deze vragen over religie en culturele invloeden, maar anderen echt niet. Daar zijn ze geen stuiver minder waard om. Integendeel: gewoon leven is misschien wel een grote wijsheid?
Maar in een samenleving waarin informatie over allerlei godsdiensten en visies snel en makkelijk te vinden is, wordt het steeds moeilijker om de grenzen van een “zuiver geloof” te bewaken. Dat ondervonden de missionarissen en zendelingen van vroegere eeuwen ook al. In het contact met andere religies raakten zij onder de indruk van de wijsheid, gedachten en levensstijl van de mensen die zij ontmoetten. En bewust of onbewust kwamen zij onder invloed van de lokale cultuur en religieuze gedachten. Het is niet voor niets dat de kerk er heel anders uit ziet in Afrika, dan in Zuid Amerika, Azië of in Nederland. Er is nou eenmaal invloed van de omgeving en wij kunnen onszelf niet volledig afsluiten.
Een interreligieuze kerk met harde termen afserveren op hun spiritualiteit, alsof wij de waarheid in pacht hebben en niet zelf ook knutselen, daar pas ik dus voor.
De kleuren zwart en wit zijn onmenselijk
Anton de Wit zegt:
Het valt me op dat mensen die, zoals Peter, grijstinten graag tegenover zwart-witdenken plaatsen, soms lijken te vergeten dat zwart en wit wel degelijk reëel bestaande kleuren zijn. Zonder zwart en wit zou er überhaupt geen grijs bestaan. En de theorie van de interreligie is gewoon volledig zwart, er is niks grijs aan. Of misschien kan ik beter zeggen dat de interreligie juist volledig grijs is, en het bestaan van zwart en wit niet tolereren kan.
Het kleurenspectrum erbij halen als ik zeg dat wij niet zo zwart wit moeten denken, is overgaan van de ene betekenis naar de andere. Met zwart en wit bedoelde ik geen kleuren, maar stelligheid en “zeker weten”. Natuurlijk bestaan de kleuren zwart en wit en zijn ze nodig voor grijs, maar mijn punt is of er 100% zekere kennis van “God”, “het geloof”, “de traditie”, de “waarheid” is ? Wie gaat mij dat omschrijven? Hans Küng (de dissidente en geniale theoloog), Richard Dawkins (de fanatieke atheïst), Karl Barth (de protestantse ‘kerkvader’ van de 20e eeuw), de Dalai Lama of paus Benedictus XVI?
Ik geloof dat zwart en wit aan God zijn voorbehouden, niet aan mensen. En een kerk of groepering “volledig zwart” noemen is de plaats van God innemen. De oerzonde, zo je het wilt, waar volgens het verhaal de duivel Eva en Adam toe verleid heeft. Dan is de orthodoxie niet zo voorzichtig en tolerant meer, zoals Anton de Wit ons doet voorspiegelen. Als hij bij een ander punt de religieuze stroming van de Katharen aanhaalt als ketters, dan weten velen dat die orthodoxie toen vooral onvoorzichtig en intolerant was… En de woorden die Anton de Wit in zijn argumenten gebruikt, dragen aan de onvoorzichtigheid en intolerantie bij.
Tradities en openheid
Maar, zegt Anton de Wit, anders dan een ‘knutselspiritualiteit’ zorgt een traditie er voor dat we geconfronteerd worden met dingen waar we het niet mee eens zijn.
Ik kan, ik noem maar wat, moeite hebben met bepaalde passages uit de brieven van Paulus, maar op gezette tijden worden die passages toch voorgelezen in de kerk. Of ik dat nu leuk vind of niet. Ik zie dat als een groot voordeel, ook om niet op eigengereide dwaalwegen te verdwalen. Steeds opnieuw moet ik me toch weer tot elementen uit de traditie verhouden, waardoor mijn eigen gemakkelijke gelijk bevraagd blijft worden, en ik gedwongen wordt steeds op een nieuwe manier naar zaken te kijken. In een knutselspiritualiteit is die voortdurende confrontatie en herbezinning niet noodzakelijk aanwezig, eerder niet dan wel.
En even verderop:
Ik vind de visie die Peter naar voren brengt heel behartigenswaardig. Noem het maar ‘agnostiek’: de intuïtie dat je als mens beperkt bent in je begrip van de grote waarheden, en dat je daarom bescheiden moet zijn, en ook open moet staan voor andere visies, enzovoort. Maar welbeschouwd tref ik die houding of intuïtie helemaal niet aan bij de interreligie. Die riekt veel meer naar de tegenovergestelde positie: de gnostiek, die zich het best laat omschrijven als de arrogante aanname dat jij en jouw kleine clubje ‘ingewijden’ de volledige waarheid in pacht hebben.
Ik denk dat hij gelijk heeft wat betreft de stelligheid van veel gnostici en new agers. Daarmee brengt hij een goede nuancering in mijn betoog aan. Deze ‘zachte gelovigen’ doen ook harde en stellige uitspraken, net zoals degene die zij verfoeien.
Maar geldt het ook voor Joan Elkerbout? Ik weet niet of Anton de Wit zich verdiept heeft in haar visie, maar als je op de site Vrouwen in de Media het profiel van Joan Elkerbout bekijkt, komt het op mij niet erg stellig over. Ik proef er geen “wij-kennen-de-volledige-waarheid” houding.
Kan een mening van Anton de Wit er ook naast zitten?
Er is meer aan de hand in bovengenoemde uitspraken van Anton de Wit:
- Hoe weet hij dat confrontatie en herbezinning niet noodzakelijk aanwezig zijn in de interreligieusiteit? Zijn gnostici goedgelovige mensen? Houden interreligieuzen zich niet bezig met andere meningen? Ik denk dat zij zich juist veel meer bezighouden met andere meningen en visies dan een gemiddelde kerkganger. Alleen al doordat zij zich zowel in het hindoeïsme, het christendom en het boeddhisme interesseren, worden zij geconfronteerd met vele verschillende inzichten.
- Heeft Anton de Wit zo’n grenzeloos vertrouwen in de traditie, dat hij gelooft dat de confrontatie met de traditie een noodzakelijk goede uitwerking heeft? Ik denk dat je menig mens de brieven van Paulus 100 keer kunt voorhouden zonder dat ze het gaan geloven! En de grootste uitwerking die de “traditie” de afgelopen 50 jaar heeft gehad is dat velen de katholieke en protestantse kerk verlaten hebben. Openheid naar andere meningen is niet voorbehouden aan één traditie.
- Daarnaast worden er in de kerk veel bijbelgedeelten nooit voorgelezen. Ook de kerk zelf maakt een keuze uit haar traditie, een soort knutselspiritualiteit. Hooguit bieden de kloosters nog een uitvlucht, aangezien sommigen nog wel de bijbel in z’n geheel doorlezen. Maar juist bij bezoeken aan kloosters in Nederland merkte ik dat de monniken en nonnen een grote openheid naar interreligieusiteit hadden…! (Zie ook het lijstje met personen hieronder)
- En de gnostiek die volgens Anton de Wit is als een “klein clubje ingewijden die de volledige waarheid in pacht hebben” staat volgens mij tegenover de kerk die als “groot clubje de volledige waarheid in pacht hebben.” Als je de gnostici zo weg kunt zetten, dan lukt mij dat even gemakkelijk met de Rooms Katholieke kerk. Daar zit niet zoveel verschil tussen… Maar ik betwijfel of alle gnostici zo betweterig zijn als Anton de Wit doet voorkomen. Anton de Wit’s voorbeeld van de Katharen is erg lastig, omdat we eigenlijk alleen de Rooms Katholieke visie hebben. De Kathaarse geschriften zijn vernietigd. Het is alsof je over 1000 jaar je informatie over de islam ontleent aan de uitspraken van Geert Wilders. Het lijkt me trouwens beter voor Anton de Wit’s betoog om het blik met de Rooms Katholieke behandeling van “ketters” dicht te laten…

De zaligheid van niet-weten
Ik blijf er bij dat wij niet zo veel zeker weten, in de wetenschap niet, maar ook in het geloof niet. Ik moet denken aan deze “internetbumpersticker”:
![]()
“Fanatieke agnositici:
ik weet het niet en JIJ WEET HET OOK NIET!”
Wat dat betreft zit ik — op dit moment in mijn leven — dichter bij de houding van fanatieke agnostici dan van fanatieke gelovigen. Zolang ik me kan herinneren merk ik dat ik zoveel niet weet. En de laatste jaren begin ik steeds meer te beseffen dat mijn achtergrond, mijn karakter, mijn genen, mijn hormonen, mijn opleiding en mijn omgeving enorme invloed hebben en gehad hebben op wat ik denk en geloof.
Iedereen heeft een andere achtergrond etc. en komt dus tot andere gedachten en een ander leven. Tijdens mijn verblijf in Afrika, Azië en Europa heb ik ontmoetingen gehad met boeddhistische monniken, animistisch volksgeloof, evangelische christenen, pinkstergemeenten, zware gereformeerden en rooms katholieke kerken. Daar heb ik gezien hoe verschillend mensen denken en leven en hoe groot de verschillen zijn in cultuur en religie. Dat heeft er bij mij voor gezorgd dat ik snel relativeer en nuanceer.
Ik vind de stelligheid en uitgesprokenheid van Anton de Wit’s visie op de interreligieuze kerk ook niet een begaanbare weg voor de toekomst. Ik geloof meer in bescheidenheid. Ik probeer dan bescheiden te zijn en daartoe roep ik ook Anton de Wit op. Pittige taal over interreligie is best leuk, maar net als met gerechten kan het soms ook té pittig zijn.

———————
Enkele rooms katholieke schrijvers die zich intensief met andere godsdiensten hebben beziggehouden en er hele andere ideeën dan Anton de Wit op nahouden of nahielden:
- Thomas Merton
- Arnulf Camps
- Hugo Enomiya Lasalle
- William Johnston
- Anthony de Mello
- Dom Bede Griffiths
- Dom Aelred Graham
- Ruben L.F. Habito
- Matthew Fox
- Thomas Keating
Twijfel – volgens Bill Maher
“Religion is dangerous, because it allows human beings who don’t have all the answers, to think that they do… The only appropiate attitude for man to have about the big questions is not the arrogant certitude that is the hallmark of religion, but doubt. Doubt is humble and that’s what man needs to be, considering that human history is just a litany of getting shit dead wrong.”
— — — Bill Maher – uit de promo van zijn documentaire Religulous.
Uitnodigingen voor de eigen begrafenis
Enkele gedachten bij het lied “At My Funeral” van de Canadese rockgroep Crash Test Dummies, geschreven door één van de oprichters Brad Roberts.
I’m still young, but I know my days are numbered
1 2 3 4 5 6 7 and so on
But a time will come when these numbers have all ended
And all I’ve ever seen will be forgottenWon’t you come
To my funeral when my days are done
Life’s not long
And so I hope when I am finally dead and gone
That you’ll gather round when I am lowered into the groundWhen my coffin is sealed and I’m safely 6 feet under
Perhaps my friends will see fit then to judge me
Oh when they pause to consider all my blunders
I hope they won’t be too quick to begrudge meWon’t you come
To my funeral when my days are done
Life’s not long
And so I hope when I am finally dead and gone
That you’ll gather round when I am lowered into the groundIf I should die before I wake up
I pray that the Lord my soul will take but
My body, my body – that’s your jobWell I can’t be sure where I’m headed after death
To heaven, hell, or beyond to that Great Vast
But if I can I would like to meet my Maker
There’s one or two things I’d sure like to askWon’t you come
To my funeral when my days are done
Life’s not long
And so I hope when I am finally dead and gone
That you’ll gather round when I am lowered into the ground
Een lied ter bezinning op je eigen begrafenis? De Crash Test Dummies hebben het geschreven en gezongen. Geheel eigen aan de Crash Test Dummies doen ze dat ook met enige humor: “Mijn dagen zijn genummer 1 2 3 4 5 6 7 en zo voorts.” Net als in hun andere liederen is er ook in dit lied een combinatie van humor en ernst, onzin en diepe inzichten.
Op YouTube is een video van ‘Heathywhodini” te vinden die bij dit lied gemaakt is. Het bevat beelden van begraafplaatsen over de hele wereld. Het lied en de beelden vormen samen een moderne versie van de oude wijsheid: ’Memento Mori’ – gedenk te sterven. Ons leven hier duurt niet lang – ons leven is beperkt- ons leven kent grenzen - en het is goed om ons daar bewust van te zijn.
De tekst van Brad Roberst heeft een hele sociale lading. Ik ga er daarbij van uit dat hij dit lied voor zichzelf geschreven heeft. Roberts zegt: “Ik hoop dat je bij mijn begrafenis kunt zijn.” Een begrafenis met geen enkele aanwezige is een diep triest gebeuren. Roberts nodig alvast de mensen uit. Je weet nooit wanneer het zover is en hij heeft er graag mensen bij.
Hij haalt ook een stukje van een klassiek christelijk slaapgebed voor kinderen aan: “If I should die before I wake, I pray the Lord my soul to take.” Het is afkomstig uit een 18e eeuws Engels gebed waarvan de volledige tekst luidt:
Now I lay me down to sleep,
I pray the Lord my soul to keep;
Should I die before I wake,
I pray the Lord my soul to take.
Op Wikipedia staan ook andere versies, maar die negeren of moffelen de dood meestal weg. In de 18e eeuw was de dood een deel van het dagelijks leven en nog steeds hoort het bij het leven. Moeten we het dan wel wegstoppen, ook bij kinderen?
Roberts zegt vervolgens in zijn lied dat zijn medemensen voor zijn lichaam moeten zorgen, maar zijn ziel? Dat is een ander verhaal. Ook al blijkt uit het lied geen vastomlijnd geloof, er is wel degelijk een geloof in de ziel. Hij zegt dat hij niet weet wat er na dit leven met hem gebeurt: hemel, hel of de Grote Uitgestrektheid. Mensen uit vele godsdiensten hebben geen concrete aanwijzingen over een leven na dit leven. Maar mocht Roberts zijn Maker of Schepper ontmoeten, dan zou hij die Maker nog graag een paar vragen willen stellen.
Het christelijk geloof is in dit lied nog volop aanwezig, maar er worden vraagtekens bij gezet en andere opties overwogen. Roberts zegt zelfs dat hij niet zeker ’kan’ zijn van een leven na dit leven. Het traditionele christelijke geloof heeft daar trouwens wel ideeën bij. Er is een zekerheid door het sterven en de opstanding van Jezus uit de dood. En andere religies geven hun aanwijzingen, maar dan nog blijven er veel vragen.
Ik vind het wel heel herkenbaar dat elke gelovige zijn of haar Maker nog wel een paar vragen zou willen stellen. Hoe zit het eigenlijk met … ? En wat van …?
Maar wat je geloof of overtuiging ook is, dit lied is een goede manier om stil te staan bij onze sterfelijkheid en eens na te denken over een leven na dit leven.

