Posts Tagged ‘ooit evangelisch’
Waarom evangelischen vaak erg goed bezig zijn

Flanders, de lieve, maar naïeve en wereldvreemde evangelische figuur uit de tv serie The Simpsons
Ik ben verhuisd uit de evangelische wijk van de stad Christendom. Ik heb in mijn vorige post verteld waarom ik dat gedaan heb — waarom ik niet meer evangelisch ben. Maar ik heb ook gezegd dat ik waardering heb voor een aantal aspecten. Nu ik in mijn ‘blog statistieken’ zie dat de twee delen over mijn vertrek uit de evangelische wereld zoveel gelezen worden, wil ik op mijn blog beslist ook een ander perspectief hebben staan. Daarom dit verhaal zodat je hopelijk beter begrijpt welk uitzicht ik nu heb op die evangelische wijk waar ik vroeger woonde.
Voor het gemak gebruik ik de term ‘evangelischen’ voor zowel de charismatische gemeenten als de ‘reformatorische’ en ‘anglikaanse’ evangelicals.
Kritiek op evangelischen
Er is nogal wat kritiek op evangelischen. Ze doen alsof ze God in hun broekzak hebben, houden geen rekening met culturele gevoeligheden, sluiten andersdenkenden snel buiten en zo kan ik nog wel even doorgaan.
Kritiek op evangelischen is niet nieuw. Ik heb delen van de BBC documentaire The Missionaries uit 1990 gezien die de — veelal evangelische — zendelingen pijnlijk op fouten en dubieuze praktijken wijst. Cultuur-vernietiging in naam van Jezus, omdat de lokale bevolking niet voldeed aan 19e of 20e eeuwse westerse conservatief christelijke kleding- en leefvoorschriften (die ook nog eens met verloop van tijd veranderden!) . De serie is in 1991 in boekvorm uitgegeven met als schrijvers Julian Pettifer en Richard Bradley en het boek staat waarschuwend in mijn boekenkast.
Kritiek op de kritiek
Toch zijn er een aantal zaken waar de critici snel aan voorbij gaan. Ik ga nu even niet in op de bijdrage van evangelischen aan de verspreiding van het evangelie. Voor evangelischen is dat uitermate belangrijk, maar het roept misschien weer allemaal nieuwe vragen bij de tegenstanders op. Ik kan het hier over een aantal aspecten hebben, maar wil me concentreren op één aspect in het bijzonder. Een aspect waar elk weldenkend mens toch respect voor zal hebben. Ik heb namelijk grote bewondering voor het sociale werk dat evangelischen hebben gedaan voor hun medemens.
Een paar voorbeelden:
- Evangelischen hebben ervoor gezorgd dat de slavernij werd afgeschaft.
De engelse parlementariër en evangelisch leider William Wilberforce speelde een grote rol in de beweging die ervoor zorgde dat de verschrikkelijke slavernij werd afgeschaft. - Evangelischen stonden aan de basis van onze moderne zorg voor dieren.
Dezelfde Wilberforce heeft met anderen de Royal Society for the Prevention of Cruelty to Animals opgericht. De RSPCA of dierenbescherming heeft wereldwijd grote invloed gehad op de bescherming van dieren. Ze hebben er voor gezorgd dat er betere leefomstandigheden kwamen en dat er meer aandacht gegeven werd aan het lot van dieren. Dus Partij voor de Dieren — koester die evangelischen! - Evangelischen hebben door hun zendingswerk enorm veel ziekenhuizen wereldwijd opgericht.
Daarmee hebben zij de lijn van de vroege kerk en de Rooms katholieke kerk voortgezet. Trouwens, niet onbelangrijk, ik ben zelf in zo’n zendingsziekenhuis geboren. - Evangelischen hebben grote bijdragen geleverd aan het onderwijs in vele landen.
Veel leiders van derde wereld landen hebben hun schoolopleiding te danken aan het werk van evangelische zendelingen. - Evangelischen zetten zich wereldwijd in voor hulp aan de allerarmsten en verstotenen.
Dat doen zij bijvoorbeeld op de vuilnisbelten in Roemenië (Lida Brugmans) en de Filippijnen (bijv. Young Focus’s werk op de “Smokey Mountains”). Kijk ook maar eens door de lijst van deelnemers van de Evangelische Zendings Organisatie. Al dat bewonderenswaardige werk wordt gedaan onder moeilijke omstandigheden, zonder schijnwerpers en media-aandacht.
De bijdrage van evangelischen aan de wetenschap en de maatschappij

Titelblad van de eerste druk van The Ely Volume
Kritiek klonk 120 jaar geleden ook al op de evangelischen en dan met name op hun zendingswerk. Maar in 1881 verscheen een uniek boek waarvan ik graag had gezien dat het veel bekender was geweest: Thomas Laurie, The Ely Volume, or, The Contributions of our Foreign Missions To Science and Human Well-being. Ik heb de herziene editie uit 1885 in mijn boekenkast staan.
In opdracht van vader en zoon Ely is de schrijver nagegaan op welke terreinen zendelingen van de American Board of Commissioners for Foreign Missions hebben bijgedragen aan wetenschap en maatschappelijk welzijn. Het boek telt 532 bladzijden en 22 hoofdstukken. Elk hoofdstuk is een wetenschappelijk gebied of een aspect van de samenleving waar deze zendelingen grote bijdragen aan hebben geleverd.
Ik noem enkele titels van hoofdstukken: Geologie, Meteorologie, Archeologie, Oude talen, Etnografie (kennis over volken), Geschiedenis, Medische Wetenschap, Educatie tot en met hoofdstukken over sociale zorg. Zelfs de bijdrage van zendelingen aan kennis over het gebruik van wijn in bijbelse landen wordt vermeld. Het was toen een hot topic in de discussie rond alcohol en geheelonthouders. Sommigen zeiden dat de wijn uit de bijbel geen alcohol bevatte en dat Jezus en Paulus dus geen alcohol tot zich namen, maar daar kon Thomas Laurie, dankzij vele berichten van zendelingen, heel duidelijk over zijn: er bestaan in het Midden Oosten geen wijnen zonder alcohol.
Het boek haalt in het voorwoord het dagboek van Charles Darwin aan, waar hij zeer lovend sprak over het werk van de zendelingen op Tahiti en Nieuw Zeeland en kritiek weersprak dat hun werk weinig uithaalde. Hij wees op de enorme verbeteringen in de gezondheid en de veiligheid van de bevolking sinds de zendelingen aan het werk gingen.
En dit boek behandelt maar een kleine groep! Het goede werk is gewoon doorgegaan en zelfs nog veel verder uitgebreid.
Op een zijspoor met atheïstische fundamentalisten
Na het lezen van zo’n boek begrijp ik des te minder dat er atheïstische fundamentalisten zijn die beweren dat de religie alleen maar voor narigheid en oorlogen heeft gezorgd. Zo’n visie vind ik behoorlijk wereldvreemd en een brevet van onkunde.
Een week geleden heb ik via mijn YouTube pagina nog een gesprek met iemand gehad die niets van religies moest hebben, omdat die zoveel kwaads hadden aangericht. Hij of zij heeft natuurlijk wel gelijk — religies, en ook het christendom, hebben veel kwaads aangericht. Maar dat is niet het hele verhaal en dus hebben ze ook ongelijk. Ik ken zoveel verhalen van uitermate goede en mooie dingen die de kerk van alle eeuwen heeft voortgebracht of gedaan. Het is toch onmogelijk om dat te ontkennen?
Je hoeft The Ely Volume er maar op na te slaan om te zien dat christenen (evangelischen) veel hebben bijgedragen aan wetenschap, vooruitgang en sociale zorg.
We hebben allemaal wat
Of je het met de evangelischen eens of oneens bent, het feit blijft staan dat ze heel veel goed werk hebben gedaan en nog steeds doen. Dus geen zwart – wit, goed – fout. We hebben allemaal wat (om met Elly en Rikkert Zuiderveld te spreken). En om die zin naar dit onderwerp te vertalen: we hebben allemaal wat positiefs en negatiefs.
Zo kijk ik dus naar die evangelische wijk waar ik vroeger woonde. En dit uitzicht wilde ik ook op mijn blog hebben staan.
Waarom ik niet meer evangelisch ben (1)

Ik heb een goede tijd in de Evangelie Gemeente Ermelo gehad. In de eerste jaren was het wel wat moeilijk. Dan worstelde ik wel eens met de gedachte of ik niet in een sekte terecht was gekomen, vooral als het er wat ‘vreemd’ aan toe ging met hypnotiserende muziek, emotionele oproepen en onvertaalde tongentaal. Daarvoor hadden we in Zuid Afrika gewoond en waren lid geweest van de Nederduits gereformeerde kerk in Zuid Afrika. De predikant van onze plaatselijke kerk stond heel open voor charismatische vernieuwing, maar de catechisatieboeken gaven een negatieve visie op de Pinksterbeweging en aanverwante groepen. En die gereformeerde waarschuwingen bleven nog lang hangen.
Toen we naar Nederland verhuisden, waren het jongeren uit de Evangelie Gemeente die ons als eerste opvingen. Op hun jongerengroep Shekinah was het heel gezellig en die groep fungeerde als een soort broeikas van geloof. ‘Iedereen’ bad en las uit de bijbel, hield stille tijd en wilde ‘radicaal voor God gaan’, tenminste dat waren de groepsnormen. Of iedereen ook werkelijk zo fanatiek was is moeilijk te zeggen. In elk geval was de sfeer erg motiverend voor godsdienstige gedachten en gevoelens. Ik werd in de leiding gevraagd en met een paar jeugdleiders hadden we een groep van zo’n 60 jongeren van 16 tot 23 jaar waar we veel leuke en goede dingen mee beleefd hebben. Ik heb er veel geleerd en we kregen als jongeren veel ruimte.
Naast de positieve kant…

Er waren ook andere kanten. Mensen die heel stellig voor een bepaalde mening uit kwamen, die precies wisten wat God wilde. Mensen die heel negatief deden tegenover andere meningen en andere kerken, omdat dat ‘niet bijbels was’ of ‘omdat ze de Geest geen ruimte gaven’. In mijn jeugdig enthousiasme heb ik ook wel gedacht dat alles wat niet evangelisch was, weinig toekomst had. Maar door het interkerkelijke werk van mijn ouders — eerst bij de zendingsgemeenschap OZG en later bij stichting Open Doors — had ik veel soorten kerken en gemeenten van dichtbij meegemaakt en verschillende geloofsbelevingen leren waarderen. Die interkerkelijke opvoeding en mijn ‘aangeboren’ drang tot studie zorgde er voor dat ik als jongerenleider probeerde het grijs tussen het evangelische zwart-wit aan te geven.
Toen ik theologie ging studeren, kwamen de eerste waarschuwingen: “Je gaat je geloof verliezen, hoor! Pas op!” Anderen stonden wel open voor mijn theologische inbreng, die toen nog helemaal door het evangelicale (orthodox-protestantse) en het evangelische (charismatische) gestempeld was. Ik werd gevraagd in de taakgroep onderwijs van de gemeente. We hebben daar hele goede vergaderingen gehad.
De gevolgen van een lezing over ontstaan en gezag van de bijbel
Tijdens mijn periode in de taakgroep onderwijs bleek achteraf één bepaalde activiteit een scharnierpunt geweest te zijn. Ik zie het als een belangrijk startpunt voor mijn verwijdering bij het evangelische geloofsleven. We zouden als taakgroep onderwijs een studiedag over de bijbel voor de gemeenteleden gaan houden en ik zou de lezing over “ontstaan en gezag van de bijbel” verzorgen.
Voor die lezing ging ik me degelijk voorbereiden. Ik had altijd wel allerlei kritiek op de orthodoxe visie op de bijbel tot me genomen, maar ik las dan genoeg verdedigers van de ‘onfeilbaarheid van de bijbel’ om die kritiek weer even aan de kant te kunnen zetten. Ik was ook bang voor die andere visies, want wie weet waar dat toe zou leiden? Maar als ik een lezing over dit onderwerp zou moeten geven, moest ik wel de andere kant ook bestuderen. Anders kon ik het voor mezelf niet verantwoorden.
Als voorbereiding op de lezing las ik allerlei boeken over het ‘ontstaan en gezag van de bijbel’. Ik vroeg mijn docenten aan de universiteit naar goede boeken en ontdekte zelf menige titel. Ik las de rapporten van de Hervormde kerk (Klare wijn) en de gereformeerde kerken in Nederland (God met ons) over de bijbel. Ik las alle stugge gereformeerde verdedigers van de bijbel als dr. J. van Bruggen, het boek van René Pache (Inspiratie en het gezag van de Bijbel), literatuur van de ‘Inerrancy’ beweging uit Amerika en nog een stapel boeken over dit onderwerp. Fundamentalistische verdedigers, maar dus ook de boeken die grote vraagtekens zetten bij het idee dat God de bijbel volledig geïnspireerd heeft. Het lezen van die laatstgenoemde boeken was confronterend.
Vooral het boek van dr. J. Verburg, Canon of Credo, greep me bij de keel. De schrijver was betrokken bij de charismatische vernieuwing en hij lag dus enigszins in dezelfde lijn als de Evangelie Gemeente. Toch gaf hij vele argumenten tegen de onfeilbaarheid van de bijbel en kon hij de bijbelse boeken niet als volledig geïnspireerd en volledig betrouwbaar zien. Dit boek zette me erg aan het denken: Je kon dus geloven in God en in het werk van de heilige Geest zonder de bijbel als een ‘boek uit de hemel’ te beschouwen.
Daarnaast vielen de boeken die de volledige betrouwbaarheid van de bijbel verdedigden erg tegen in hun argumenten. Ze gingen zo uit van de betrouwbaarheid van de bijbel dat ze menig heikel punt oversloegen, problemen verzwegen, cirkelredeneringen hanteerden of zichzelf tegenspraken. Al die ‘fundamentalistische’ boeken kwamen vol te staan met vraagtekens en kanttekeningen. Daar kon ik heel weinig mee.
De kleurrijke theologiestudie

Botanische tuinen bij de Universiteit Utrecht
Tijdens de studie ontmoette ik docenten die duidelijk ‘gegrepen waren’ door het evangelie en van harte het christelijk geloof aanhingen, maar toch kritiek hadden op bepaalde uitspraken van bijbelschrijvers als Prediker, een psalmist of Jakobus. Voorafgaand aan de ontmoeting met deze docenten had ik het idee dat er alleen twee mogelijkheden waren: of je geloofde in de onfeilbaarheid van de bijbel (en was ‘bijbelgetrouw’) of je had problemen met de bijbel en was vrijzinnig (en eigenlijk ongelovig). Maar deze docenten pasten in geen van beide categorieën. Ze lieten grijze tinten zien waar de evangelischen alleen maar zwart en wit zagen. Of kan ik beter zeggen dat ze meer kleuren lieten zien dan alleen zwart en wit.
Ook deed de studie van de islamitische visie op de Koran en geschriften van zendelingen onder moslims mij twijfelen over de bijbel als geïnspireerd ‘hemels boek’. De Koran wordt door orthodoxe moslims namelijk letterlijk als boek uit de hemel gezien. Er ligt een exacte Koran in de hemel, maar — zeiden de zendelingen — dat was anders dan de visie van de christenen. Toch leek de islamitische visie wel heel erg op de visie van veel fundamentalistische christenen, zowel de evangelische als de streng-gereformeerde varianten.
Daarnaast vergeleken sommige zendelingen onder moslims de positie van de Koran in de islam met de plaats van Jezus in het christelijk geloof — ze worden in hun godsdienst namelijk beiden gezien als het letterlijke Woord van God en hebben dezelfde functie als middelaar tussen God en mensen. Ik vond dat heel opvallend: niet de bijbel tegenover de Koran, maar Jezus tegenover de Koran. Mohammed is slechts een profeet, maar de Koran is de vertegenwoordiging en bemiddelaar van God bij de mensen, net zoals Jezus voor christenen de vertegenwoordiger en bemiddelaar is van God. Deze zendelingen zeiden duidelijk: wij, christenen, aanbidden niet de bijbel, maar Jezus. Deze relativering van het gezag van de bijbel was niet zonder effect op mijn geloof en gedachten.
Daar kwam bij dat ik in de theologiestudie de visies van grote theologen op de bijbel leerde kennen. En die hadden zeker niet allemaal dezelfde visie. Barth, Berkhof, Van Ruler, Noordmans, Miskotte, maar ook de vroege kerk, Augustinus, Luther, Calvijn en de rooms katholieke kerk hadden elk weer een eigen kijk op de bijbel en hun eigen ‘Schriftleer’. Wat was dan de juiste? Bestaat er wel een perfecte Schriftvisie? En in hoeverre speelt de eigen tijd en cultuur daarin een rol?
Een evangelisch fundament krijgt barsten

Jeremia 23 uit de Hebreeuwse bijbel. Het stuk bovenaan met de grotere tekens is de hoofdtekst en de kleine letters zijn verwijzingen naar alternatieve versies.
Ik heb op de gemeentelijke studiedag over de bijbel nog braaf een gematigd orthodoxe versie van het ontstaan en het gezag van de bijbel weergegeven, maar ik heb er wel wat theologische kanttekeningen bij geplaatst. Voor een aantal luisteraars was dat al bijzonder confronterend. Ik vond het opmerkelijk dat ze erg schrokken toen ik kopieën van Genesis 1 uit de Hebreeuwse bijbel en het Onze Vader uit het Griekse Nieuwe Testament liet projecteren. Ze zagen dat er verschillende handschriften waren, dat er voor de Hebreeuwse woorden geen klinkers, maar alleen medeklinkers waren overgeleverd. Even later kwamen de vragen: ”Kunnen we de bijbel dan nog wel in alles geloven?” en ”Als mensen zo’n invloed op de bijbel hebben gehad, is het dan wel volledig betrouwbaar ?”
Het bleek dat de evangelische gemeenteleden de bijbel eigenlijk zagen als een boek dat uit de hemel was gevallen. Er werd in de gemeente nooit aandacht besteed aan de menselijke kant van de bijbel, alleen aan de goddelijke kant. En de confrontatie met de menselijke kant was een schok voor hen, zoals het dat eerder voor mij was geweest.
De barsten die met de voorbereiding op deze lezing in mijn evangelische geloof zijn gekomen, gingen niet weg. Ze scheurden alleen maar verder door. Er had een aardbeving plaatsgevonden en één van de belangrijkste evangelische fundamenten, die in mijn ogen zo stevig was geweest, bleek niet tegen de beving van een beetje open-minded studie bestand.
Alles wat ik in de theologiestudie en daarbuiten over de bijbel leerde, botste met de orthodoxe-fundamentalistische evangelische bijbelvisie. En die bijbelvisie was een enorm belangrijke basis voor mijn hele evangelische leven. Typisch evangelische uitspraken als “de bijbel zegt het” of “Jezus zegt het” kwamen ineens in een heel ander licht te staan. Bij zulke uitspraken dacht ik nu niet alleen aan de inhoud van die woorden, maar ook meteen aan het bijbelboek, de evangelist, zijn bedoelingen, zijn theologie en de context. Al deze zaken zette de aangehaalde bijbeltekst volgens mij in het juiste perspectief. Maar om over deze zaken in een evangelische gemeente te praten, was een lastige opgave. Ik probeerde soms voorzichtig wat nuances bij bijbelse aanhalingen aan te brengen, maar dit strookte niet met de evangelische waarden. Ik raakte er steeds meer van overtuigd dat er een breuk had plaatsgevonden tussen mij en de evangelische wereld.
Maar er speelde nog meer. Zie daarvoor het tweede deel van deze post: Waarom ik niet meer evangelisch ben (2).
Ooit evangelisch
Op 3 april verscheen het boek ‘Ooit evangelisch: de achterdeur van evangelische gemeenten’ bij de uitgeverij Kok te Kampen. Daarin staan de resultaten van een onderzoek naar mensen die vertrokken zijn uit een evangelische gemeente. Het boek doet veel stof opwaaien en de media besteden er uitgebreid aandacht aan. Als protestants predikant en zelf ‘ooit-evangelisch’ heb ik meegewerkt aan dit onderzoek.
Schokkend
De resultaten van het onderzoek zijn schokkend. 103 respondenten zijn gemiddeld ruim 17 jaar zeer actief betrokken in ongeveer 10% van alle evangelische gemeenten in Nederland. Op enkele uitzonderingen na blijkt dat de meesten doodgezwegen of juist keihard de evangelische achterdeur uit geduwd te zijn. ‘Mensen konden zo drammen,’ zegt een respondent. Of er geldt een ongeschreven regel: ‘Niet eens met de leiding? Opzouten!’ Er werd zelfs tegen een vertrekker gezegd: ‘God zal wel met je afrekenen.’
Er worden veel redenen voor vertrek genoemd: een gebrek aan ruimte voor andere meningen, voor twijfel en ziekte, groepsdwang, een hoge meetlat, machtsmisbruik door leiders, manipulatie. Samenvattend blijkt de geslotenheid de belangrijkste reden voor het vertrek van deze respondenten te zijn. En dan zijn er elke keer weer die nieuwe methoden en ‘opwekkingen’ waar de gemeente in mee moet gaan en waar vaak ook weer ruzies en scheuringen over ontstaan.
De vertrekkers voelen zich vooral opgelucht en bevrijd. Een grote groep gaat richting de Protestantse kerk of verschillende soorten gereformeerde kerken. Een iets kleinere groep houdt zich nog wel bezig met het geloof, maar heeft genoeg gehad van een gemeente – ze zijn nu ‘gemeenteloos christen’. Een kleine groep keert het christelijk geloof helemaal de rug toe.
Tijdens een symposium over dit boek aan de Christelijke Hogeschool Ede laaiden de emoties soms flink op. Het was voor alle aanwezigen duidelijk dat er veel pijn en verdriet bij de vertrekkers ligt. Maar het was ook duidelijk dat ze na zo’n moeilijke periode met moed en geloof verder zijn gegaan. Ze waren heel blij met dit boek en de aandacht die het kreeg.
Hoe het begon
Het idee voor het onderzoek ontstond bij twee evangelischen: Otto de Bruijne en Karin Timmerman. Zij waren geraakt doordat mensen uit hun omgeving vertrokken uit evangelische gemeenten. Beiden waren voor mij ‘oude bekenden’ uit de tijd dat ik in de evangelische wereld verkeerde. Otto kende ik als spreker in de gemeente die altijd een eigen – soms kritisch – evangelisch geluid liet horen. Karin kwam op de jeugdgroep Shekinah van de Evangelie Gemeente Ermelo toen ik daar één van de jeugdleiders was en zij heeft later zelf in de jeugdleiding gezeten. Ik had hen beiden al een aantal jaren niet meer gezien. Voor dit onderzoek hebben ze mij benaderd en samen hebben we het onderzoek opgezet en een enquête verspreid. Toen we begonnen hadden we nog geen idee dat het zo groot zou worden en zoveel aandacht zou krijgen.
Het was een hele prettige samenwerking, kan ik wel zeggen. We hebben veel indrukken samen opgedaan, veel moeilijke verhalen met ontroering gelezen en heel scherp elkaars stukken bekeken. Wat heb ik veel aan hun opmerkingen gehad!
Waarom heb ik meegedaan?
Opgegroeid in zendings, kerkelijke en evangelische kringen ben ik door de studie theologie langzaam weg gegroeid bij de evangelische beweging en de laatste jaren ‘ex-evangelisch’ geworden. Bij mij speelden theologische redenen een grote rol, maar hoe is dat bij anderen gegaan? Daar was ik erg benieuwd naar. Ook wilde ik iets terug doen voor al het goede dat ik van de evangelische beweging heb ontvangen. Ik heb veel goede dingen meegemaakt en een grote liefde voor God en medemens bij velen geproefd. Het is zeker niet zo dat er alleen kommer en kwel bij de evangelischen is. Ik ben alleen van mening dat elke beweging, groep en kerk veel kan leren van de vertrekkers en die leerervaring gunde ik ook de evangelischen. Ik weet wel dat niet elke evangelische gemeente blij is met kritiek en soms ronduit negatief tegenover elke vorm van kritiek staat. Desondanks denk ik dat de spiegel van dit boek de evangelische beweging goed zou kunnen doen.
Daarnaast had ik een pastoraal motief: Ik merkte dat evangelischen heel weinig aandacht voor deze mensen hadden of heel negatief over hen spraken. Ik hoopte door dit onderzoek wel aandacht aan hen te besteden en hun stem te laten horen. Ook al zijn veel evangelischen het niet met de vertrekkers eens, ook – of juist – de mensen met wie je het niet eens bent, kunnen je veel leren.
Alleen voor evangelischen?
Dit onderzoek heeft mij aan het denken gezet over mijn evangelische periode. Hoe heb ik als jeugdleider bijgedragen aan groepsdwang en een doofpotcultuur? Achteraf kan ik zo een paar dingen noemen die ik nu heel anders zou doen. Maar daarnaast heb ik me ook afgevraagd hoe ik later als predikant in de Protestantse gemeente van Aldeboarn ben omgegaan met macht en andere meningen. Een gemeente met een grote theologische breedte en daarnaast de goede contacten met doopsgezinden en rooms katholieken hebben me een stuk voorzichtiger gemaakt. Ik vond het heel waardevol me op dit onderwerp te bezinnen.
Is dit onderzoek alleen relevant voor evangelischen? Ik denk dat iedereen zichzelf wel een paar vragen kan stellen. Hoe ga ik bijvoorbeeld om met de vertrekkers uit mijn gemeente? Praat ik met hen? En dan niet om ze weer terug te krijgen, maar om naar hen te luisteren en van hen te leren? En hoe ga ik om met macht en manipulatie? Mag er kritiek zijn of moet alles met de ‘mantel der liefde’ worden bedekt? En wat doe ik met verschillende meningen en ideeën in de kerk? Mogen er vragen gesteld worden over de allerheiligste zaken? Vinden we dat één mening of visie de juiste is of zijn er meer wegen die naar Jezus leiden? Blijven we in gesprek met elkaar?
Het onderzoek laat zien hoe geestelijke taal soms nare zaken kan bedekken, hoe een dwingend spreken over God kan leiden tot ongeloof en hoe gebrek aan aandacht veel pijn kan veroorzaken. Het onderzoek is voor mij een hele goede spiegel om in te kijken — ook al kan het soms wel pijnlijk zijn. Of de evangelischen er iets aan zullen hebben is aan henzelf. Ik kan niemand ergens toe dwingen. Ik kan alleen zeggen dat ik het zelf heel verhelderend en leerzaam vond om met dit onderzoek bezig te zijn.
—————
Een korte versie van dit artikel is eerder verschenen in Geandewei, het kerkblad voor de Friese Protestantse Kerk, april 2009.

