Niet-weten is Gods zegen

Posted on 26 augustus 2009

4



N.P. van Wyk Louw Die BurgerHet gedicht ‘In waansin het ek gevra’ van de Zuid Afrikaanse dichter N.P. van Wyk Louw houdt mij nu al een paar jaar bezig. In mijn jeugd heb ik het meerdere malen gelezen, maar het bleef toen niet hangen. Ik was er nog niet aan toe?

Ik ben vorig jaar bezig geweest om honderden Zuid Afrikaanse gedichten in het Nederlands te vertalen of vertalingen te zoeken en toen kwam ik dit gedicht weer tegen. Het sloeg in als een bom! Wat een herkenning van de vragen waar ik mee bezig was (en ben). Alle wetenschappelijke kennis die ik meende te moeten vergaren, alle gedachten en ideeën over God en de wereld die mij vulden, daar wist Van Wyk Louw precies de vinger op te leggen.

De gedichten van deze diepe denker en twijfelaar in het veelal streng gereformeerde (christelijke) Zuid Afrika van zijn tijd zijn nu juweeltjes voor me geworden. Ze verwoorden wat ik ten diepste voel en helpen me om er ook weer woorden voor te vinden. Het onderstaande gedicht doet dat voor mij op magistrale wijze.

Dit is nu mijn weg geworden: niet meer boven God willen staan, in mijn drang om alles te weten en te begrijpen, maar mijn ‘Weten’ kapot scheuren, reizen zonder einde, zoeken zonder te vinden. Want om God te ‘vinden’ – vast te leggen, hem te (be)grijpen, dat is de vloek van God, maar om hem te zoeken, dat is Gods zegen!

——————

In waansin het ek gevra

(Uit de bundel: Alleenspraak, 1935)

Herr du mein Gott, was gehen mich die
Gesetze der Natur und Arithmetik an?

In waansin het ‘k gevra, o God
vir my die vrede van die ster,
om bo die berge stil te woon,
die wêreld onder dof en ver.

Ek wou U Liggaam sien en gryp,
ek wou die see vang in my net;
ek wou U Mag vang, vang en bind
met die koperkettings van my wet.

Dan wou ek self in glorie troon,
my hof by winde en sterre hou;
ek wou met ewig-stille oë
op U en op U knegskap skou.

Vergeef die wilde dwase bee —
o God, hoe kon ek wyser wees?
Maar, moet U vlam my voorkop kroon,
ek neem die glorie en die vrees!

Vir my nie meer die dwase rus
van mense en van dag en jaar,
vir my die vlamme van U wa,
en oë wat in vertes staar.

Vir my die kruis en doringkroon,
die reise wat geen einde het,
vir my die soek wat nimmer vind,
vir my die sterre sonder wet.

o God, vir my die wilde sin,
die oë wat hul waansin noem,
om wat ondenkbaar is, te dink,
en wat onmoontlik is, begin.

Ek sal ons Wete stukkend skeur
en uitstrooi tussen sterre en maan!
Sal ek met so ’n flenterkleed
U weë, o God, U weë gaan?

So sal ‘k met naakte liggaam stap
die reis van hierdie wonderlewe,
met wonderoë in die lig
wat om my van U wonder bewe.

Daar is één heerlikheid: U sien;
daar is één rus: om U te soek;
om nie te weet – dit is U seën;
en om te vind – dit is U vloek.

Vertaling ‘In waanzin heb ik gevraagd’

Heer, mijn God, wat heb ik te maken met
de wetten van de natuur en de rekenkunde?

In waanzin heb ik gevraagd, o God,
voor mij de vrede van de ster,
om boven de bergen stil te wonen,
de wereld onder dof en ver.

Ik wilde Uw lichaam zien en grijpen,
ik wilde de zee vangen in mijn net;
ik wilde Uw macht vangen, vangen en binden
met de koperen kettingen van mijn wet.

Dan wilde ik zelf in glorie tronen,
hof houden bij winden en bij sterren;
ik wilde met eeuwig-stille ogen
op U en op Uw knechtschap zien.

vergeef die wilde en dwaze bede —
o God, hoe kon ik wijzer zijn?
Maar, moet Uw vlam mijn voorhoofd kronen,
ik neem de glorie en de angst!

Voor mij niet meer de dwaze rust
van mensen en van dag en jaar,
voor mij de vlammen van Uw wagen,
en ogen die in verten staren.

Voor mij het kruis en de doornenkroon,
de reizen die geen einde hebben,
voor mij het zoeken dat nooit vindt,
voor mij de sterren zonder wet.

O God, voor mij de wilde zin,
de ogen die hun waanzin laten zien,
om wat ondenkbaar is te denken,
en wat onmogelijk is te beginnen.

Ik zal ons Weten aan stukken scheuren
en uitstrooien tussen sterren en maan!
Zal ik met zo’n haveloos kleed
Uw wegen, o God, Uw wegen gaan?

Zo zal ik met een lichaam naakt
de reis door dit wonderleven maken,
met wonderogen in het licht
dat om mij heen van Uw Wonder beeft.

Er is één heerlijkheid: U zien;
er is één rust: U zoeken;
om niet te weten – dat is Uw zegen;
en om te vinden – dat is Uw vloek.

(vertaling Adriaan van Dis en Robert Dorsman, uit hun boek: O wye en droewe land: Honderd-en-een gedichten in het Afrikaans, Meulenhoff – Amsterdam, 1998. (Van harte aanbevolen!))

——————

Meer info:

  • Kort Wikipedia artikel over N.P. van Wyk Louw
  • Afrikaanstalig artikel van Ena Jansen over Van Wyk Louw in Die Burger
  • Kort Engelstalig stukje in een groter artikel over Zuid Afrikaanse literatuur in de Encyclopaedia Brittanica